aanzegplicht

Zoals in mijn vorige artikel geschreven, wordt een billijke vergoeding niet vaak toegekend aan een werknemer indien nadat zijn arbeidsovereenkomst geëindigd is. In artikel 7:681 BW is aangegeven dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen.

 

De vergoeding in de wet

In het WWZ is een aantal keren de bevoegdheid gegeven om een billijke vergoeding op te leggen. Dit is mogelijk na ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever, hoewel hier niet vaak sprake van is. Denk bijvoorbeeld aan seksuele intimidatie of ander laakbaar gedrag van de werkgever waardoor de arbeidsverhouding verstoord is geraakt. Ook kan worden gedacht aan het door de werkgever niet nakomen van de reïntegratieverplichtingen of andere verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, waardoor een onwerkbare situatie ontstaat.

Deze billijke vergoeding kan zelfs opgelegd worden naast een transitievergoeding. Dit is vastgelegd in artikel 7:673 lid 9 BW.

 

Hoogte billijke vergoeding

Hoewel het toekennen van een billijke vergoeding in de wet is vastgelegd, is de hoogte ervan niet in de wet opgenomen. Ook de manier waarop deze vergoeding berekend moet worden, is niet in de WWZ vastgelegd. De billijke vergoeding is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen. Het is niet de bedoeling dat kantonrechters te veel gebruik maken van hun mogelijkheid tot het toekennen ervan.

De jurisprudentie geeft geen vaste regels voor het vaststellen van de hoogte van een dergelijke vergoeding. Indien een kantonrechter meent dat er grond is voor deze vergoeding, krijgt hij alle vrijheid bij het bepalen van de hoogte hiervan. Dit kan dus per kwestie verschillen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hoe exact de hoogte wordt bepaald, is in de volgende kwestie nader omschreven.

 

Levert fraude een billijke vergoeding op?

In de volgende kwestie is een werknemer op staande voet ontslagen wegens fraude. Dit is door de werkgever geconstateerd door camerabeelden. De werknemer heeft namelijk gefraudeerd met het retourneren van artikelen. Op camerabeelden is te zien dat de werknemer een retour aanslaat na sluitingstijd. Tevens is op die dag geen kasverschil geconstateerd. De werkgever leidt hieruit af dat deze werknemer het bedrag van de retour zelf heeft meegenomen.

Binnen de organisatie wordt fraude op geen enkele wijze getolereerd. Er is voor de werkgever dan ook sprake van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW die leidt tot het gegeven ontslag op staande voet.

Werknemer heeft onder andere verzocht om de werkgever te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van € 40.000,00 bruto dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag. Dit vanwege het feit dat geen sprake is van een dringende reden, waardoor de werknemer ten onrechte op staande voet is ontslagen. Dit dient gezien te worden als ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

 

Oordeel kantonrechter

Van belang is dat vaststaat dat de werknemer niet (schriftelijk) met de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd. Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt namelijk dat een billijke vergoeding kan worden toegekend indien een overeenkomst is opgezegd door de werkgever, zonder dat de werknemer hiermee heeft ingestemd (en geen uitzondering als bedoeld in artikel 7:671 lid 1 sub a t/m h BW aan de orde is).

De fraude is door de werkgever aangevoerd, maar vervolgens door de werknemer uitgebreid tegengesproken. Als gevolg hiervan rust de bewijslast van deze fraude op de werkgever.
Nadat de werkgever diverse punten heeft aangevoerd, zoals te lezen is in overweging 5.12 en 5.13, concludeert de kantonrechter dat niet voldoende is komen vast te staan dat de fraude heeft plaatsgevonden. De kantonrechter overweegt verder dat op de camerabeelden niet expliciet te zien is dat de werknemer het bedrag van de retour wegneemt uit de kassa.

 

Toekennen billijke vergoeding

Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat een dringende reden, zoals nodig is voor het ontslag op staande voet, ontbreekt. Het ontslag op staande voet is daarmee niet rechtsgeldig gegeven.

Gelet op de wetsgeschiedenis is een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht als zodanig ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Het verzoek om een billijke vergoeding toe te kennen is dan ook als op de wet gegrond toewijsbaar.

Wel matigt de kantonrechter de hoogte van de verzochte vergoeding. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever.

De kantonrechter wil bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding tot uitdrukking brengen dat een ten onrechte gegeven ontslag op staande voet grote impact heeft op iemands persoonlijk leven. Naast de emotionele impact ziet een werknemer zich plotseling geconfronteerd met een situatie waarin geen recht meer bestaat op salaris en waarin men niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering. Voorkomen moet dan ook worden dat een werknemer op staande voet wordt ontslagen wegens een beschuldiging van fraude, terwijl daarvoor onvoldoende bewijs voorhanden is. Dit rechtvaardigt een toe te kennen billijke vergoeding van substantiële betekenis, waarbij tevens rekening wordt gehouden met het salarisniveau van de werknemer.

Alles afwegende oordeelt de kantonrechter in dit geval een billijke vergoeding van € 6.000,00 bruto passend.

 

Conclusie

Kortom, voor het toekennen van een billijke vergoeding dient van een bijzondere situatie sprake te zijn. In dit geval is de dringende reden om tot ontslag op staande voet over te gaan niet correct, waardoor in strijd met artikel 7:671 BW is opgezegd. In dat geval is een dergelijke vergoeding dus wel mogelijk.

 

Jouw situatie kan verschillen van de bovenstaande. Benieuwd naar andere mogelijkheden of voorbeelden voor de mogelijke toezegging van een billijke vergoeding? Laat hieronder jouw reactie achter of neem contact op via het contactformulier.

3 antwoorden

Trackbacks & Pingbacks

  1. […] Mocht de rechtbank hier niet in meegaan, dan verzoekt ze om een transitievergoeding plus een billijke vergoeding. Wat het verschil is tussen deze twee vergoedingen, lees je in mijn vorige blog. […]

  2. […] Dat in dit geval sprake is van een arbeidsconflict lijkt naar mijn idee vast te staan. Het interessante van deze uitspraak vind ik het oordeel van de kantonrechter over de billijke vergoeding. In een heel enkel geval wil het voorkomen dat de de kantonrechter dit verzoek toekent, zoals ook te lezen is in mijn vorige blog. […]

  3. […] Aan haar verzoek legt de werknemer het volgende ten grondslag dat ze gezondheidsklachten heeft als gevolg van allergieën. Nu de gezondheidsklachten van de werknemer werkgerelateerd zijn, is zij in beginsel arbeidsgeschikt. Nu de werkgever weigert de arbeidsomstandigheden aan te passen, wordt de werknemer door toedoen van de werkgever gehinderd in de uitvoering van haar werkzaamheden. Een en ander heeft geleid tot een arbeidsconflict tussen partijen. Van de werknemer kan niet langer verwacht worden dat zij het dienstverband voortzet. Het handelen van de werkgever moet volgens de werknemer worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar, zodat ze aanspraak maakt op een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 sub b BW) en een billijke vergoeding (artikel 7:671c lid 2 sub b BW). Zie voor de toekenning van een billijke vergoeding mijn vorige blog. […]

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *