hoge raad

De Hoge Raad heeft een belangrijke uitspraak gedaan omtrent de billijke vergoeding. Met de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is de transitievergoeding en de additionele billijke vergoeding in de wet opgenomen. Kort gezegd wordt de transitievergoeding berekend aan de hand van de lengte van het dienstverband kent het een maximum van € 76.000,-. Daarnaast kan een billijke vergoeding worden toegekend indien de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

Over dit zogenoemde muizengaatje, zie hiervoor mijn vorige blog, is weinig houvast in de wet te vinden, enkel het feit dat er sprake moet zijn van ernstig verwijtbaar handelen. De WWZ schrijft daarnaast niet voor hoe rechters de hoogte van de billijke vergoeding moeten bepalen. Er is geen minimum of maximum gesteld. Dit heeft ertoe geleid dat rechters verschillend omgaan met deze ontslagvergoeding. De Hoge Raad heeft nu enkele uitgangspunten geformuleerd voor de hoogte van de billijke vergoeding.

 

De kwestie

Een werkneemster, kapster voor 4,5 uur per week, is vanaf 1989 in dienst bij een kapsalon. Vanaf 2013 komt deze kapsalon in handen van nieuwe eigenaren. In januari 2014 heeft de kapsalon aan de kapster een vaststellingsovereenkomst voorgelegd met daarin een voorstel om het dienstverband te beëindigen, zonder financiële regeling. Op een tegenvoorstel om aan haar een vergoeding toe te kennen, is de kapsalon niet ingegaan. Vervolgens heeft de kapster niet ingestemd met een beëindiging van het dienstverband.

Nadat de kapster vervolgens weer op haar werk verscheen, mocht ze haar gebruikelijke werkzaamheden niet uitvoeren, maar moest ze gaan schoonmaken. De kapsalon zorgde voor een situatie waarin de kapster haar werkzaamheden niet meer kon uitvoeren. Na nog enkele akkefietjes met de vakantieplanning heeft de kapsalon besloten om met inachtneming van de wettelijke uitwerktermijn het dienstverband met de kapster te beëindigen. Omdat dit zonder instemming van de kapster is gebeurd, is in strijd met artikel 7:671 BW opgezegd.

Na tussenkomst van de rechter werd – naast een transitievergoeding van € 1.596,- – een billijke vergoeding van € 4.000,- toegekend. De kapster had verzocht om een hogere billijke vergoeding, omdat zij tot aan haar pensioenleeftijd haar dienstverband bij deze kapsalon had kunnen voortzetten. Aan dit verzoek ligt artikel 7:681 BW ten grondslag.

 

Het Hof oordeelt

De kapster was het niet eens met de hoogte van de billijke vergoeding en ging in beroep. Hier oordeelde het Hof dat de duur van het dienstverband buiten beschouwing wordt gelaten als factor voor de bepaling van de billijke vergoeding. Deze duur wordt namelijk bij de transitievergoeding meegenomen.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de kapster dat in deze vergoeding tot uitdrukking moet komen dat zij haar dienstverband bij de kapsalon tot haar pensioengerechtigde leeftijd zou hebben kunnen voortzetten. Met inachtneming van het voorgaande acht het hof een billijke vergoeding van € 4.000,- gerechtvaardigd.

De vraag of er andere feiten en omstandigheden zijn die tot verhoging of verlaging van deze billijke vergoeding moeten leiden, beantwoordt het hof ontkennend.

 

Persoonlijke omstandigheden tellen volgens Hoge Raad mee

De vraag die centraal stond bij de Hoge Raad was in hoeverre de gevolgen van het ontslag voor de werknemer mogen meewegen bij het vaststellen van de billijke vergoeding.

Volgens de Hoge Raad moet de rechter bij het vaststellen van de hoogte van die vergoeding onder andere een juiste compensatie voor de werknemer als uitgangspunt nemen en niet het bestraffende effect (van de vergoeding) voor de werkgever. Daarnaast moet worden uitgegaan van alle omstandigheden van het geval, waaronder de duur het van het dienstverband, de hoogte van het loon en de reden waarom een werknemer om een billijke vergoeding verzoekt in plaats van vernietiging van de opzegging. Ook spelen de gevolgen van het ontslag een rol bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding.

Hierbij kan worden aangesloten bij de door het ontslag geleden schade, de waarde van dienstverband voor de werknemer of het voorkomen van dergelijk handelen door de werkgever. Het gaat dus niet om het straffen van de werkgever voor zijn handelen. Daarnaast moet inzicht gegeven worden in de manier waarop de billijke vergoeding tot stand is gekomen. De persoonlijke omstandigheden van de werknemer spelen dus een rol bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding.

 

Afronding

Een rechter moet in zijn oordeel vermelden op basis van welke omstandigheden hij het bedrag heeft vastgesteld. Deze uitspraak brengt met zich mee dat bij het bepalen van de hoogte van de ontslagvergoeding voortaan weer meer aandacht uit kan en zal gaan naar de persoonlijke situatie van de werknemer. De kapster zal mogelijk nu toch een hogere billijke vergoeding toegekend krijgen. Hof Den Bosch is verzocht om te bepalen welke vergoeding passend is.

 

Voor vragen over dit onderwerp, neem gerust contact met mij op.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *