transitievergoeding

Diverse manieren zijn er om uitleg te geven aan wetsartikelen. Zo dacht in onderstaande kwestie ook de werkgever. Het betrof de vraag of een transitievergoeding verschuldigd was aan een werknemer die exact 24 maanden in dienst was geweest bij de werkgever.

 

Het wetsartikel

Zoals wellicht bekend, is in artikel 7:673 BW de transitievergoeding opgenomen:

De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en
a. de arbeidsovereenkomst:
door de werkgever is opgezegd;
op verzoek van de werkgever is ontbonden; of
na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet en voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan, die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden; of

b. de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever:
door de werknemer is opgezegd;
op verzoek van de werknemer is ontbonden; of
na een einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend is voortgezet.

 

In een aantal gevallen is de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd aan de werknemer. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat de werknemer zelf het contract opzegt en de werkgever niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten.

 

“Ten minste”

In de volgende kwestie speelt met name het gedeelte ‘ten minste 24 maanden‘ een rol. De werknemer is op 11 augustus 2014 op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst in dienst van de werkgever getreden in de functie van Senior Projectleider. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar.

Aansluitend hebben partijen een tweede arbeidsovereenkomst gesloten voor dezelfde duur en dezelfde functie. De tweede arbeidsovereenkomst vermeldt dat deze van rechtswege eindigt op 10 augustus 2016.

Bij brief van 16 juni 2016 heeft werkgever de werknemer schriftelijk geïnformeerd (en dus voldaan aan de aangezegplicht) dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en van rechtswege zou eindigen op 10 augustus 2016.

Partijen hebben aansluitend gecorrespondeerd over de vraag of de werknemer recht heeft op een transitievergoeding. Werknemer vindt van wel, omdat de arbeidsovereenkomsten tezamen 24 maanden hebben geduurd. Werkgever betwist dit enerzijds met de stelling dat de arbeidsovereenkomst minder dan twee jaar geduurd heeft en anderzijds met het argument dat er eerst recht bestaat op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst langer dan twee jaar geduurd heeft.

Ook al lijkt het artikel betreffende de transitievergoeding een eenvoudig te lezen bepaling, partijen discussiëren hevig over de interpretatie ervan. Dient ‘ten minste’ in artikel 7:673 BW te worden geïnterpreteerd als ‘exact’ of als ‘langer dan’?

 

Oordeel kantonrechter

Ingevolge art. 7:673 lid 1 BW is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden geduurd heeft. Taalkundig kan deze bepaling niet anders uitgelegd worden dan dat er recht bestaat op een transitievergoeding indien de arbeidsovereenkomst 24 maanden of langer geduurd heeft. De werkgever heeft met een beroep op de wetsgeschiedenis, het systeem van de wet en de jurisprudentie betoogd dat desondanks eerst recht bestaat op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst langer dan 24 maanden geduurd heeft.

De werkgever verwijst naar de Memorie van Toelichting: “De termijn van twee jaar brengt dan ook tot uitdrukking dat een werkgever alleen bij langer durende arbeidsrelaties gehouden is tot het betalen van een vergoeding en sluit aan – als het gaat om tijdelijke werknemers – bij de voorziene (nieuwe termijn) voor de ketenbepaling waarna een vast dienstverband ontstaat.”

De kantonrechter constateert dat deze passage direct voorafgegaan wordt door de volgende overweging: “In het kader van goed werkgeverschap heeft de werkgever een zorgplicht voor de werknemer, ook bij ontslag. Die zorgplicht reikt naar de mening van de regering echter niet zover dat de werkgever verantwoordelijk is voor het betalen van een vergoeding bij dienstverbanden van korter dan twee jaar.”

Uit deze twee passages in onderlinge samenhang bezien blijkt dat de wetgever met “langer durende arbeidsrelaties” heeft gedoeld op arbeidsovereenkomsten die langer duren dan arbeidsovereenkomsten die de grens van twee jaar niet bereikt hebben. Anders dan de werkgever stelt, blijkt hieruit dus niet dat de wetgever heeft beoogd dat de transitievergoeding eerst verschuldigd is bij arbeidsovereenkomsten die langer dan twee jaar geduurd hebben. Integendeel. Hieruit blijkt juist dat de wetgever het recht op een transitievergoeding in het leven heeft willen roepen bij arbeidsovereenkomsten die 24 maanden of langer geduurd hebben.

 

Hoe zit het in vergelijking met de ketenregeling?

De ketenregeling, opgenomen in artikel 7:668a BW, zorgt ervoor dat een bepaalde tijdscontract dat meer dan 24 maanden heeft geduurd, wordt omgezet in een vast contract. Dat aldus een verschil ontstaat met de grens die art. 7:668a BW geeft voor het ontstaan van een keten van overeenkomsten, is mogelijk te verklaren uit het verschil in oogmerk van de bepalingen. In elk geval is in art. 7:668a BW de afbakening geheel anders geformuleerd omdat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur pas ontstaat indien ‘een periode van 24 maanden overschreden’ is.

Kortom, volgens de kantonrechter kan de wetgever met de transitievergoeding niets anders bedoeld hebben dan ‘exact’ 24 maanden. De wetgever gebruikt in dit verband namelijk nergens de typering ‘langer dan 24 maanden durende arbeidsrelaties’. De werkgever diende in dit geval een transitievergoeding te betalen aan de werknemer, omdat de arbeidsovereenkomst exact 24 maanden heeft geduurd.

 

Voor vragen over dit onderwerp, neem gerust contact met mij op.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *