7:673 transitievergoeding

Op grond van artikel 7:673 BW is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd aan werknemers, indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden geduurd heeft en de werkgever heeft opgezegd of verzocht om tot ontbinding over te gaan. Voor het vaststellen van de hoogte van de transitievergoeding, wordt rekening gehouden met de hoogte van het salaris van de werknemer. Sinds de invoering van de WWZ heeft de werkgever diverse constructies bedacht die de betaling van een transitievergoeding ondersneeuwen.

 

Twee reeds bekende constructies

Zoals in mijn vorige blog te lezen, worden de 7+8+8-constructie en het slapende dienstverband door de rechters als niet in strijd met de wet beschouwd. Deze eerste constructie houdt kort gezegd in dat drie contracten worden aangegaan voor de duur van 23 maanden. Na het van rechtswege eindigen van dit laatste contract, is de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd, omdat de werknemer niet de wettelijke termijn van 24 maanden heeft bereikt.

De constructie van het slapende dienstverband is met name van belang voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers. Gedurende de arbeidsongeschiktheid dient de werkgever maximaal 24 maanden loon door te betalen. Indien na deze periode de werknemer alsnog arbeidsongeschikt is, vervalt de verplichting tot loondoorbetaling door de werkgever (de werknemer maakt dan aanspraak op een uitkering). Indien de werkgever na deze periode de arbeidsovereenkomst niet voortzet, geldt op grond van artikel 7:673 BW voor de werkgever wel de verplichting om tot betaling van de transitievergoeding over te gaan. Door de arbeidsovereenkomst niet formeel te beëindigen, blijft de werknemer in dienst, waardoor geen recht op een transitievergoeding bestaat. Omdat de loondoorbetalingsverplichting reeds is geëindigd en de werknemer geen werkzaamheden meer verricht, wordt wel gesproken van een slapend dienstverband.

 

Wellicht een derde constructie?

De kantonrechter te Arnhem mocht oordelen over de geldigheid van een derde constructie. De werkgever had na twee jaar ziekte van de werknemer de arbeidsovereenkomst opgezegd. Volgens de werkgever was het salaris waarmee gerekend moest worden voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding nul euro. De loondoorbetalingsverplichting van de werkgever was immers geëindigd. De werkgever meende dat moet worden uitgegaan van het loon waarop aanspraak kon worden gemaakt ten tijde van het eindigen van de arbeidsovereenkomst en niet van het loon dat werknemer zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest.

De rechter neemt als standpunt in dat, op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 7:673 BW, de wetgever niet heeft beoogd om arbeidsongeschikte werknemers die na twee jaar van arbeidsongeschiktheid geen recht meer hebben op uitbetaling van loon, uit te sluiten van een transitievergoeding. Met het berekenen van de transitievergoeding wordt dus rekening gehouden met het overeengekomen salaris. Dat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever is gestopt na 24 maanden, doet daar niet aan af.

Dit standpunt is zeker begrijpelijk, met name gelet op het doel van de transitievergoeding. Deze vergoeding heeft namelijk als doel compensatie voor het niet voortzetten van het dienstverband, maar ook bevordering van de overgang naar een volgende baan. Volgens de wetsgeschiedenis bestaat geen rechtvaardiging om onderscheid te maken voor het al dan niet betalen van een transitievergoeding aan arbeidsongeschikte werknemers en andere werknemers. Vooralsnog blijft de mogelijkheid voor de werkgever om van een transitievergoeding af te zien bij de voorgenoemde twee constructies.

 

Voor vragen over dit onderwerp, neem gerust contact op of laat hieronder een reactie achter.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *