toestemming

Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst onmiddellijk verband houden. Zo luidt artikel 7:447 BW.

 

Patiëntenrechten: toestemming

Zoals in mijn vorige blog aangegeven, zijn er vele patiëntenrechten opgenomen in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO). Naast het recht op informatie, is in de WGBO ook het toestemmingsvereiste opgenomen. Een medische behandeling is alleen mogelijk als de patiënt er toestemming voor geeft. Patiënten mogen een behandeling dus weigeren. Alleen in een onhoudbare situatie is een gedwongen behandeling soms toegestaan.

Een behandeling begint pas als de patiënt heeft ingestemd met het behandelplan. Hij kan het met de behandelaar bespreken als hij het niet eens is met een (deel van) de behandeling. De behandelaar zal dan samen met de patiënt zoeken naar een andere behandeling of hem doorverwijzen naar een andere behandelaar.

 

Minderjarigen en toestemming

Ook patiëntenrechten van kinderen zijn vastgelegd in de WGBO. De wet onderscheidt drie leeftijdsgroepen, waarvoor andere regels betreffende de toestemming gelden. Voor een medische handeling bij kinderen tot twaalf jaar dienen de gezaghebbende ouders samen te beslissen over de medische behandeling. Bij kinderen tussen de twaalf en zestien jaar is daarnaast ook de instemming van het kind zelf nodig. Vanaf zestien jaar beslissen kinderen in principe zelf over hun behandeling.

Wanneer de behandelaar meent dat het besluit van de ouders tegen het belang van het kind ingaat, hoeft dit niet uitgevoerd te worden. Vanuit goed hulpverlenerschap mag de arts het belang van het kind laten prevaleren. Daarnaast kan een behandelaar in acute situaties mag de hulpverlener handelen zonder toestemming van de ouders. Dat wil zeggen dat hij direct moet ingrijpen om nadelige gevolgen voor het kind te voorkomen.

 

Het toestemmingsvereiste in de praktijk

In een recente uitspraak van de rechtbank te Rotterdam geeft weer hoe met dit toestemmingsvereiste in de praktijk wordt omgegaan. Deze kwestie betreft de behandeling van een minderjarige, geboren in 2005. Ouders van het kind zijn in 2009 gescheiden, maar hebben beide het gezag behouden. De behandeling, te weten een besnijdenis, is uitgevoerd in 2015 op verzoek van de vader. Moeder heeft geen toestemming gegeven voor de onomkeerbare ingreep. De behandelaar was hiervan op het moment dat hij de ingreep verrichtte niet op de hoogte en heeft daar ook niet naar geïnformeerd. De behandeling is zonder complicaties verlopen.

Volgens de moeder had de behandelaar om toestemming van beide ouders moeten vragen alvorens over te gaan tot de besnijdenis. Zij is van mening dat de beslissing om wel of niet een besnijdenis uit te laten voeren behoorde te worden uitgesteld tot het kind meerderjarig zou zijn en daar zelf over zou kunnen beslissen. Voor de geleden en te lijden materiële en immateriële schade verwijst de moeder naar artikel 6:107 BW: verplaatste schade. Zij verzoekt de rechtbank om de behandelaar en de huisartsenpraktijk aansprakelijk te stellen voor deze schade.

De behandelaar verweert zich met de stelling dat niet onzorgvuldig is gehandeld tegenover het kind of de moeder. Er is in overeenstemming met de professionele standaard gehandeld. In dit verband beroepen zij zich op de KNMG-wegwijzer ‘dubbele toestemming gezag dragende ouders voor behandeling van minderjarige kinderen’, waarin staat opgenomen:

 

ls één van beide gezagdragende ouders op het spreekuur verschijnt, dan mag de arts er vanuit gaan dat deze mede namens de andere gezagdragende ouder spreekt, óók als er sprake is van een echtscheiding. Alleen als de arts aanwijzingen heeft dat de niet aanwezige ouder een andere mening is toegedaan, moet hij deze ook expliciet om toestemming vragen.

 

In het medisch tuchtrecht is diverse malen geoordeeld over de vraag wat in een situatie als de onderhavige van de (huis)arts mag worden verwacht: onder welke omstandigheden mag de arts er in beginsel van uitgaan dat ook de ouder die niet bij het consult aanwezig is toestemming heeft verleend?

Een arts heeft voor de behandeling van een minderjarige in beginsel toestemming nodig van de beide (gezagdragende) ouders. Als een kind wordt begeleid door één van de ouders en er geen sprake is van een ingrijpende, niet-noodzakelijke of ongebruikelijke behandeling van het kind, mag de arts er in beginsel van uitgaan dat de toestemming van de andere ouder aanwezig is, behoudens aanwijzingen van het tegendeel. Indien wel sprake is van een ingrijpende, niet-noodzakelijke of ongebruikelijke behandeling van het kind, mag de arts er niet van uitgaan dat de toestemming van de andere ouder aanwezig is.

 

Oordeel rechter

Volgens de rechtbank is de KNMG-wegwijzer, waarnaar de behandelaar refereert, misleidend. Het enkele feit dat de KNMG haar van de wet en het medisch tuchtrecht afwijkende wens over de inhoud van het recht in een ‘wegwijzer’ heeft vastgelegd, brengt echter niet mee dat die wegwijzer voortaan de medische standaard bepaalt. De rechtbank acht onaannemelijk dat de zorg onwerkbaar wordt indien telkens moet worden afgevraagd of beide ouders akkoord zijn met de behandeling.

Dat wordt pas anders indien de afwijkende visie van de KNMG tot aanpassing van de wet of tot een andere uitleg van het toestemmingsvereiste in de jurisprudentie zou leiden. De rechtbank acht voor het laatste geen goede grond aanwezig. De norm dat niet één van, maar beide ouders kenbaar toestemming dienen te verlenen voor behandelingen die ingrijpend, niet-noodzakelijk of ongebruikelijk zijn, biedt met name jonge kinderen extra bescherming. Dat daar in de praktijk geen behoefte aan zou bestaan, acht de rechtbank niet zonder meer aannemelijk.

Bij gebreke van de vereiste toestemming van beide ouders is er sprake van onrechtmatig bij het kind veroorzaakte pijn en ongemak en van een onrechtmatig aangebrachte blijvende verandering van zijn lichaam. De precieze aard en omvang van de schade is op dit moment echter niet relevant. De moeder heeft slechts gevorderd te verklaren voor recht dat de huisartsenpraktijk aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Die verklaring voor recht is toewijsbaar.

 

Conclusie

Hieruit blijkt dat de rechtbank zeer streng vasthoudt aan dit toestemmingsvereiste. Het is voor een minderjarig kind een ingrijpende verandering en daarom van groot belang dat beide ouders akkoord zijn met een dergelijke ingreep. Met deze aansprakelijkstelling kunnen de vader en moeder van het kind alsnog een schadevergoeding vorderen van de huisartsenpraktijk. In deze uitspraak is dit niet gevorderd door hen, waardoor er nog geen duidelijkheid bestaat over de hoogte van een dergelijke schade. Wellicht gaat dit volgen. Ik houd jullie op de hoogte.

 

Voor vragen over dit onderwerp, neem gerust contact op of laat hieronder een reactie achter.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *